Sociaal-demografische verschillen in COVID-19-sterfte tijdens de eerste golf van de corona-epidemie

1-4-2021

Mensen met een lager inkomen overlijden om allerlei redenen gemiddeld eerder dan personen met een hoger inkomen. Dat geldt ook voor overlijden aan COVID-19. Echter, COVID-19 heeft de bekende verschillen in sterftekansen tussen de inkomensgroepen niet verder verhoogd.

Het risico om te overlijden aan COVID-19 is onder inwoners die geen zorg ontvingen voor de laagste inkomensgroep twee keer zo hoog als voor de hoogste inkomensgroep.

Voor iedere rijke die besmet raakt of overlijdt, staan 2 armen van dezelfde leeftijd, hetzelfde geslacht of dezelfde regionale herkomst. Voor de sterfte aan COVID-19 onder mensen die institutionele zorg ontvingen, maakte het inkomen geen verschil.

De relatieve sterfterisico’s naar huishoudensinkomen tonen slechts geringe verschillen tussen de regio’s. In het algemeen geldt: hoe lager het inkomen, des te hoger het risico om aan COVID-19 te overlijden. Het gaat hierbij om de totale bevolking, ongeacht of mensen al dan niet zorg ontvangen.

Huishoudensinkomen COVID-19 Andere doodsoorzaak
5e kwintiel (hoogste) (ref.) 1 1
4e kwintiel 1,2 1,2
3e kwintiel 1,43 1,38
2e kwintiel 1,72 1,62
1ste kwintiel (laagste) 2,05 2,03

Getallen geven relatieve risico’s weer ten opzichte van de referentiegroep (5e kwintiel) over de totale periode. Er is rekening gehouden met andere kenmerken (geslacht, leeftijdsgroep, migratieachtergrond en regio).

Een hoger sterfterisico voor COVID-19 van inwoners uit de lagere inkomensgroepen die geen zorg (thuis of institutioneel) ontvangen, is niet verrassend. Ook voor de overige doodsoorzaken wordt deze samenhang gevonden voor deze onderzoeksperiode. Eerdere publicaties uit Nederland wijzen op de relatie tussen sterftekansen en sociaaleconomische status, waarbij het effect van een laag inkomen op sterfte voor een belangrijk deel verklaard kan worden door leefstijl, zoals roken, voeding en overgewicht. Krappere behuizing en minder flexibele arbeidsomstandigheden zouden een aanvullende rol kunnen spelen in de verspreiding van het nieuwe coronavirus. Bovendien zijn mensen met een laag inkomen vaker werkzaam in sectoren waar het niet goed mogelijk is om thuis te werken of op het werk de corona-adviezen goed na te leven.

Een eerste analyse van de sterfterisico’s als gevolg van COVID-19 naar migratieachtergrond geeft geen eenduidig beeld. Voorlopig kan worden geconcludeerd dat de relatieve risico’s op COVID-19-sterfte onder mensen met een migratieachtergrond iets hoger waren dan voor mensen met een Nederlandse achtergrond. Met name in de 3 GGD-regio’s Amsterdam, Haaglanden en Rotterdam-Rijnmond was sprake van een verhoogd risico op COVID-19-sterfte voor deze groep. In Zuidoost–Nederland, waar de corona-epidemie begon, was dat niet het geval. Ook waren er aanzienlijke verschillen in de sterfterisico’s tussen de diverse groepen met een migratieachtergrond. De aantallen zijn echter nog te klein om hier conclusies aan te verbinden.

De resultaten van deze studie tonen aan dat COVID-19 de bestaande ongelijkheid in sterfte naar inkomen in absolute zin wel heeft vergroot, maar in relatieve termen niet. Er is sprake van inkomensverschillen in de kans op COVID-19-sterfte tijdens de eerste golf van de epidemie in Nederland, maar de bevindingen laten zien dat eenzelfde mate van ongelijkheid zich voordeed onder sterfte aan andere doodsoorzaken in deze periode. Het effect van inkomensverschillen op de COVID-19-sterfte is groter voor mensen jonger dan 70 jaar dan voor 70-plussers.Onder de meest kwetsbare groepen, mensen die thuiszorg of institutionele zorg ontvangen, lijken sociaaleconomische factoren geen onderscheidende rol te hebben gespeeld.

Terug naar nieuwsoverzicht